Een viool, in het Concertgebouw. Maar het is wel jazz.
Jazz, dat associeer je met harde muziek. Koperblazers, saxen, trommels. Een viool komt daar niet bovenuit. En bovendien: de viool was zó met de negentiende eeuw verbonden – met klassieke muziek, maar ook met suffe salonmuziek – dat ze voor de jazz niet echt in aanmerking leek te komen.
En toch: het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Terwijl Django Reinhardt aantoonde dat je met een klassieke gitaar – een zacht instrument – al heel aardige jazz kon maken, haalde Joe Venuti de viool naar de jazz. Je moest het instrument niet combineren met een bigband zoals die toen gebruikelijk was, maar in een klein combo viel er best werk van te maken. Na de oorlog kwam de versterking op, en vielen de grootste bezwaren tegen de jazzviool weg. De Fransen gingen met de eer strijken: Stéphane Grapelli en Jean-Luc Ponti zijn de grote vaandeldragers van deze tak van sport.
In dit concert uit 2006 wordt de jazzviool gehanteerd door Jeffrey Bruinsma. Hij heeft om zich heen een combo met gitaar, bas, drums en andere percussie. Geen toeters dus, maar wel een hoop trommels die de vioolklank kunnen verdrinken. Gelukkig weten de begeleiders zich uitstekend te gedragen. In zes composities, allemaal van Bruinsma zelf en voor een groot deel vertegenwoordigers van de cool jazz, soleert hij zich naar een relaxt geheel. Dat alles in de Koorzaal, de vaak vergeten zaal van het Concertgebouw, waar violen zich zo op hun gemak voelen.