We komen ze nogal eens tegen, deze drie musici. Wispelwey, Van Delft en Leertouwer waren rond 1990 behoorlijk actief.
Cellist Pieter Wispelwey, klavecinist Menno van Delft en violist Johannes Leertouwer treffen we met grote regelmaat in onze archieven aan. In 1990 gaven zij diverse concerten rondom Bachs kamermuziek. Voor mensen die niet zingen is dit zonder meer het boeiendste deel van zijn oeuvre. Hij experimenteert volop met de sonate en met grote regelmaat stelt hij zichzelf torenhoge doelen – waar hij met vlag en wimpel voor slaagt. Vooral de vioolsolowerken mogen er zijn. Denk maar aan de Partita in d, met de monumentale, een kwartier lange chaconne…
Zijn sonates voor melodie-instrument en klavecimbel zijn al net zo bijzonder. Normaal is het klavier in de barok veroordeeld tot de rol van continuo-instrument: de klavecinist moet akkoorden spelen en het andere instrument heeft de melodie alleen. Bach laat in zijn meeste sonates het klavecimbel mééspelen (in vaktermen: concerterend klavecimbel). Niet zo vreemd als je bedenkt dat Bach naast een weergaloos componist ook één van de meest gewaardeerde klaviervirtuozen van zijn tijd was. Hij had helemaal geen zin om zich er met een paar akkoorden vanaf te maken.