Genre: Classicisme
Componist: Wolfgang Amadeus Mozart
Opnametechniek: Wijnand de Groot
Drie keer kamermuziek van Mozart, de heren en dames doen hun naam eer aan. Maar welke werken horen we ook alweer.
Om te beginnen het beroemde Klarinetkwintet in A. Tussen klarinettist Anton Stadtler en Mozart groeide in diens late jaren iets moois. Mozart was gek op dit vrij nieuwe blaasinstrument en hielp het maar wat graag aan nieuw repertoire. Stadtler mag dan een schurk van een vent zijn geweest, hij kon er veel van en zonder hem hadden we dit kwintet én het nog beroemdere klarinetconcert niet gehad.
Het hoornkwartet in Es schreef Mozart ook al voor zo’n topper: hoorninst Joseph Leutgeb, die ook alle vier de hoornconcerten te spelen kreeg. Wat Mozart van Leutgeb vond is niet helemaal duidelijk. De partituren staan vol met practical jokes ten koste van de hoornist, en waar de een de conclusie trekt dat Mozart niets van Leutgeb moest hebben, ziet de ander een intieme vriendschap met een hoop inhumor. Hoe dan ook: ook dit werk mag er weer zijn. Wel dwingt het karakter van de hoorn – een boventooninstrument met beperkte chromatische mogelijkheden – Mozart tot eenvoudiger muziek. Zo heeft dit kwintet een divertimentokarakter, waarbij de postkoets en het jachtveld nooit ver weg zijn.
Maar dat hobokwintet dan, kennen we dat? Heeft Mozart iets geschreven voor hobo en vier strijkers? Nee. We horen hier delen uit twee werken, het blaasoctet KV 388 (door Mozart zelf later tot strijkkwintet bewerkt) en het strijkkwintet KV 406. Vooral het octet is memorabel om zijn on-klassieke somberheid, met het strenge canonische menuet als hoogtepunt. Hier neemt de hobo de eerste viool over en klaar is Kees.