Mozart is praktisch de schepper van het strijkkwintet. Zijn zes kwintetten horen nog steeds tot het allerbeste wat de hele kamermuziek te bieden heeft.
Terwijl Haydn zich helemaal toelegde op het strijkkwartet, zocht Mozart ook naar andere mogelijkheden. Zo kwam hij uit bij het strijkkwintet, een kwartet waaraan één altviool was toegevoegd. Mozart speelde dat instrument zelf, dat zal zeker aan zijn keuze hebben bijgedragen.
Een extra stem, dat levert problemen op. Het vereist een totaal andere compositietechniek dan een kwartet. Maar Mozart vond al gauw een niche voor dit genre. De twee instrumentenparen worden vaak tegen elkaar uitgespeeld terwijl de cello zijn eigen gang gaat. In het Strijkkwintet in c komt deze extra stem Mozart bijzonder van pas. Dit ernstige werk is namelijk een bewerking van de blazersserenade KV 388, voor niet minder dan acht stemmen. Er valt al heel wat te winnen doordat strijkers geen ettelijke maten rust nodig hebben, zoals blazers die hun mondspieren soms even moeten ontzien. Je kunt dus dezelfde noten met minder instrumenten spelen. Dan nog moet Mozart nu en dan handig ingrijpen om op een elegante manier van acht naar vijf stemmen te gaan.
De twee andere stukken zijn wel oorspronkelijk voor strijkkwintet gecomponeerd. Ze dateren van Mozarts late Weense jaren. Intussen beheerste hij het medium volkomen. Steeds meer geeft hij andere instrumenten dan de eerste viool de ruimte om ook te schitteren, elk op zijn eigen manier met muziek die bij zijn klankkleur past.