Genres: Kunstlied | Romantiek
Componisten/uitvoerenden: Gustav Mahler | Luciano Berio
Opnametechniek: Sabrina ter Horst
Een greep uit twee liedcycli uit de volksmond.
Als we een paar invloedrijke maar obscure voortrekkers niet meerekenen, begint de traditie van het kunstlied bij Schubert, aan het begin van de negentiende eeuw. Componisten geven steeds meer aandacht aan het lied, een genre dat door eerdere generaties eigenlijk te min werd gevonden. Uitgangspunt was daarbij het volkslied zoals dat bij de gewone mensen leefde.
Toen Gustav Mahler eind negentiende eeuw actief werd als componist, had het lied er al een hele ontwikkeling op zitten. Het was nu een erudiete, uiterst literaire kunstvorm. Maar de volkstoon bleef lokken. Mahler richtte zich op de zangbundel Des Knaben Wunderhorn. Daarin stonden volksliederen uit verschillende delen van Duitsland. Hij gebruikte alleen de teksten, die hij van eigen muziek voorzag. Echte volksliedjes werden het zo niet, maar het naïeve karakter van de teksten maakt dat er ook in de muziek wel iets van het eenvoudige karakter behouden blijft.
Luciano Berio is een lid van de na-oorlogse avant-garde. Een generatiegenoot van Boulez en Stockhausen, en tot op zekere hoogte ook een geestverwant. Er moest vernieuwd worden, dat stond ook voor hem als een paal boven water. Maar al vrij snel begon het gemaakte karakter van deze muziek hem tegen te staan. Berio wilde wel weer gewoon ‘mensenmuziek’ maken. Met zijn Sequenze stelde hij niet de componist maar de instrumentalist centraal, en wel op zo’n manier dat ook de luisteraar er nog wat aan heeft – dat de luisteraar in elk geval gedwongen wordt om aan het instrument en zijn mogelijkheden te denken. Met Folksongs ging Berio nog een stap verder. Hier gaat de componist uit van de ultieme ‘mensenmuziek’: volksliedjes. Hiervoor wordt zelfs de tonaliteit weer in ere hersteld. Uiteraard geeft hij er nog steeds een compleet eigen draai aan: Berio blijft tenslotte componist.
In dit concert worden delen van zowel Des Knaben Wonderhorn als Folksongs uitgevoerd in het Amsterdamse café De Rode Hoed. Elk lied wordt voorafgegaan door een korte inleiding. De inleidingen zijn hier in aparte tracks gestopt; de luisteraar heeft daardoor de keuze om ze wel of niet te beluisteren.