Bach raakte al vroeg verslingerd aan de fuga, een typisch zeventiende-eeuwse muziekvorm. Naarmate zijn leeftijd vorderde raakte deze vorm steeds meer uit de gratie. Geen nood. Bach zou de jongere generatie wel leren hoe het moest.
Het einde van zijn leven besteedde Bach voor een groot deel aan Die Kunst der Fuge. Dit project kwam bovenop de werkdruk van de Thomaskerk en de zorg voor zijn kinderen. Rococo was de mode; fuga’s lagen veel componisten zwaar op de maag. Juist daarom misschien gaf Bach een hoge prioriteit aan dit project. Hij begon het zelfs eigenhandig in koper te graveren, om zeker te weten dat het gedrukt zou worden! Helaas overleed Bach in 1750 voor hij het (helemaal) kon afmaken. Maar wat er klaarkwam is evengoed indrukwekkend. Een simpel thema wordt op alle mogelijke manieren tot fuga gevormd, en alsof het niets is daarna nog in verschillende canons verwerkt!
Bach noteerde zijn fugastemmen op losse balken en gaf geen instrumentatie aan. Daarom hebben mensen het lang als een soort sublieme abstracte muziek gezien, die bij wijze van spreke niet eens gespeeld moest worden. Moderne generaties musicologen weten beter: Bach heeft bij het componeren van Die Kunst der Fuge expliciet het klavier in gedachten gehad. Menno van Delft neemt de uitdaging aan om het integraal te spelen. Hij speelt daarbij ook de voltooiing van Contrapunctus 14 in de versie van Theo Nederpelt.