Genre: Barok
Componisten/uitvoerenden: Christoph Graupner | Johann Adolf Hasse | Johann Sebastian Bach
Opnametechniek: Joost Kist
Nieuw geluid van vergeten instrumenten.
Sinds de jaren zeventig leeft de historische uitvoeringspraktijk weer volop. Onder de noemer van ‘authenticiteit’ spelen veel musici oude muziek op instrumenten uit die tijd – of kopieën ervan. Volgens velen is het de enige mogelijke manier van uitvoeren: Bach en Vivaldi op moderne instrumenten, dat klinkt volgens hen niet. Anderen zijn daar minder streng in, maar iedereen is het er wel over eens dat de historische uitvoeringspraktijk een enorme verrijking heeft gevormd van het muziekleven, en inzicht heeft geboden in een waarheid die voorheen enkel in kringen van musicologen bekend was.
Hier moeten we één aantekening bij maken. Over het algemeen horen we vooral oude versies van nog bestaande instrumenten: de barokviool, de barokhobo, de baroktrompet. Minder vaak horen we instrumenten die inmiddels zo goed als verdwenen zijn, die geen moderne nazaat hebben achtergelaten. Daar wordt in dit concert iets aan gedaan. We maken bijvoorbeeld kennis met de viola d’amore, de ‘liefdesviool’. Vanwege de bijzondere bouw met meetrillende snaren klinkt het instrument weker, vandaar de naam. Of de baschalumeau, de lage variant van een oude voorloper van de klarinet. Op het programma staat muziek uit de late barok, voor een groot deel de voorlopers van de klassieke stijl als Graupner. Ook horen we een triosonate van Bach, maar die verschijnt niet in haar gebruikelijke gedaante. Het is één van Bachs zes triosonates voor orgel. Bach wist dat hij op het orgel met zijn handen en voeten net zoveel muziek kon maken als de drie (vaak trouwens vier) mensen die een triosonate uitvoeren. Hij kon een triosonate in zijn eentje simuleren. Hier wordt Bachs simulatie weer omgedraaid: in een arrangement horen we dat dit orgelwerk inderdaad goed geschikt is voor een conventionele trio-bezetting.