Componisten/uitvoerenden: Antonín Dvorák | Edward Top
Opnametechniek: Sabrina ter Horst
Twee werken uit de rijke traditie van een edel genre.
De piano, altijd al het manusje van alles onder de instrumenten, werd in de negentiende eeuw het instrument waarmee je, in je eentje, het hele scala aan emoties kon oproepen – het instrument waarop virtuoze klavierleeuwen revolutie na revolutie afriepen. Het strijkkwartet is al sinds Haydn de ongekroonde koning van de kamermuziek: een afgewogen klank, die binnen elke stijl tot zijn recht komt.
Combineer een piano met een strijkkwartet en je krijgt een pianokwintet. Door de jaren heen zijn er veel prachtige pianokwintetten geschreven. De bekendste komen uit de negentiende eeuw, zoals het kwintet van Dvořák. Maar ook nu nog worden ze geschreven. Het Pianokwintet van Edward Top domineert dit concert. De componist voegt er ook een beschrijving bij, die we hier volledig citeren.
“In dit werk worden de mogelijkheden van het arpeggio afgetast. Al in de diatonische introductie (Andante Modesto, maat1-37), die van slechts enkele toonhoogten gebruik maakt, doemt het arpeggio als kleuring en contrast met de overwegend langzaam voortgaande bewegingen op. Het tweede gedeelte (Allegro Moderato, maat 38-56) leeft bij de gratie van het arpeggio, net als de daarop volgende passage (maat 57-87) waar met name de strijkers er een bijzondere klank mee creëren. De speelwijze van het arpeggio hier is traditioneel, zoals voor de viool aangetroffen zou kunnen worden in romantische vioolconcerten, alleen de klank (geruis) die er hier mee bereikt wordt, wordt verkregen zonder druk van de vingers op de snaren uit te oefenen. Als een soort vermummificeerde romantiek. Het arpeggio wordt zeer grillig en onregelmatig toegepast in de ‘Skelettendans’ (maat 88-171), een technisch hoogstandje voor met name de piano. Tempo Primo (maat 172-190) en Tempo del Danza (maat 191-2) zijn recapitulaties van reeds gepasseerde gedeelten. Het gedeelte tot en met maat 131 is een zegeviering van het arpeggio en klinkt met behulp van durchbrochene Arbeit als één grote riedel. De quasi ‘fuga’ die volgt is geënt op het hoofdmotief (Motivo Principale) dat al te horen was in mt.87 met opmaat. Als uiterste consequentie van het arpeggio klinken apocalyptische sirenes aan het slot. Het epiloogje in de slotmaat is een echo van het hoofdmotief. Het Quintetto werd gecomponeerd in opdracht van het Amardi Pianokwintet, en werd financieel ondersteund door het Fonds voor de Scheppende Toonkunst.”
Deze uitvoering, op 2 mei 2004 in Musis Sacrum te Arnhem, was de wereldpremière van het werk.