Mozart voert in Praag andermaal een opera op … en wat voor een!
1787 was voor Mozart – dat stelden we vorige week al vast – het jaar van Praag. Hij ging er in januari van dat jaar al heen voor Le nozze di Figaro en voor de Praagse symfonie. Het succes van de Figaro smaakte naar meer, zowel bij Mozart als bij het Praagse publiek. Zodoende werden de rollen omgedraaid. Waar normaal Boheemse componisten altijd naar Wenen (en andere Duitstalige steden) reisden om daar carrière te maken, werd nu een Oostenrijker op handen gedragen in Praag.
Voor hun tweede opera kozen Mozart en Lorenzo da Ponte voor de legende van Don Juan, in het Italiaans Don Giovanni. Een pathologisch vrouwenversierder voor wie verleiden een verslaving wordt – waar hijzelf aan ten onder gaat.
De opera begint met Don Giovanni die achter Donna Anna aan zit. Haar vader doet een poging dit te verhinderen; in een tweegevecht doodt hij hem. Zijn knecht Leporello heeft genoeg van dit soort geintjes (waarin hij zelf steeds de dienende rol moet spelen) en dringt erop dat zijn baas ophoudt. Die heeft daar geen enkele zin in. Hij heeft alweer een ander slachtoffer: Donna Elvira, net verlaten door haar minnaar en dus kwetsbaar. Ze kent de reputatie van de Don, maar twijfelt nog. Leporello neemt die twijfels bij haar weg door de ware aard van Don Giovanni te tonen. Later komen de twee bij een boerenbruiloft: Zerlina staat op het punt te trouwen met Masetto, Don Giovanni weet de twee natuurlijk weer uit elkaar te drijven.
Gevolg is dat iedereen zijn bloed wel kan drinken: de vrouwen achter wie hij aan zit, maar vooral hun (eerlijke) minnaars. Niettemin wil de Don van geen ophouden weten en probeert hij de vrouwen alsnog te verleiden. Leporello moet met gevaar voor eigen leven meewerken. Dan komen ze een bovennatuurlijke figuur tegen: het sprekende standbeeld van de Commandant, Donna Anna’s vermoorde vader. Don Giovanni gelooft niet dat hij met een bovennatuurlijk personage van doen heeft en nodigt het standbeeld uit voor zijn diner. Het beeld komt ook opdagen, en te midden van alle gasten wordt Don Giovanni naar de hel gesleept…
Wel even wat anders dan de luchtige stof van Figaro! Don Giovanni is beslist niet om te lachen. Is het dan een opera seria, een serieuze opera? Nee. Een opera seria moet aan allerlei strenge eisen voldoen, met gestileerde, virtuoze aria’s en een duidelijke opbouw. Bovendien is daar doorgaans een grootmoedig vorst die zijn clementie naar de schurken uit de opera toont. Hier laat de adel zich juist van zijn allerslechtste kant zien. Dat heeft Don Giovanni gemeen met Figaro.
Ook de vorm lijkt op Mozarts vorige opera: de aria’s zijn liedachtig en goed mee te zingen, en beide aktes eindigen in een lange finale waarin veel van het drama verwerkt zit. Feitelijk is Don Giovanni een opera met een ernstig onderwerp in een komische vorm. Het is alsof de opera buffa de opera seria langzaam begint op te peuzelen: een operavorm die voorheen bijzaak was en alleen geschikt voor kluchten, wordt nu voor alles gebruikt. Hiermee neemt Mozart een voorschot op de negentiende eeuw.
De kritiek op losbandige edellieden die denken dat ze alles kunnen maken is natuurlijk ook modern. Tegelijk moeten we oppassen om Don Giovanni als een aanklacht tegen de oude machthebbers te zien. Twee van zijn drie slachtoffers zijn ook edelvrouwen, en uiteindelijk is het de geest van de adellijke Commandant die de Don komt halen.
Deze Sanssouci is helemaal aan Don Giovanni gewijd. We maken een selectie uit verschillende delen. Om te beginnen horen we de ouverture. Dreigende muziek kondigt het hellevuur al aan; de toonsoort d-klein, geassocieerd met goddelijke toorn, versterkt dat. Na de ouverture beklaagt Leporello zich dat hij dag en nacht moet meewerken aan de scheefschaatserij van de Don (“Notte e giorno fatigar”); hij heeft er genoeg van.
Daarna volgt de scène waarin Elvira geïntroduceerd wordt. Ze beklaagt zich dat ze verlaten is (“Ah! Chi me dice mai”). De Don geeft Leporello opdracht haar uit te nodigen; in plaats daarvan komt deze met een gedetailleerde lijst van Don Giovanni’s veroveringen (“Madamina, il catalogo è questo”): 640 in Italië, 231 in Duitsland, 100 in Frankrijk, 91 in Turkije en 1003 in Spanje (hetgeen een niet genoemd totaal van 2065 maakt).
Op het feest van Zerlina en Masetto gaat Leporello zelf een keer achter de vrouwen aan. Hij is er dus niet om Zerlina te waarschuwen. Die zingt ongestoord zijn duet met haar (“La ci darem la mano”), het grote succesnummer van deze opera.
Om de situatie naar zijn hand te zetten, biedt hij aan het feest zelf te betalen. Eén scène uit dat feest is heel bijzonder. Het bal begint met een menuet, de dans van edellieden als Giovanni, Anna en Elvira. Daarna klinkt er een contradans, de dans van de burgers. Uiteindelijk danst de Don een Duitse dans met Zerlina. Alle dansen klinken tegelijk, in hun eigen ritme en tempo! We wisten al dat Mozart die dansen goed in de vingers had, maar tegelijk, op zo’n manier dat het ook nog goed (consonant) klinkt? Dan moet je van heel goeden huize komen… Gelukkig kunnen we dit kunststukje aan Mozart wel overlaten.
Het tweede bedrijf is niet zo rijk aan spectaculaire aria’s die als los succesnummer konden dienen. Wel komt de Don nog een keer aan het venster van Donna Elvira zingen: een serenade met mandolinebegeleiding (“Deh! vieni alla finestra”). Net als zijn duet met Zerlina maakt het ons ongemakkelijk: als luisteraar weten we dat de Don er geen woord van meent, maar we laten ons toch meeslepen – verleiden! – door de mooie muziek…
Groot spektakel treffen we aan in de finale van het tweede bedrijf. Opnieuw is het feest – geen dansfeest nu, maar een diner met muziek. Er klinken, zoals dat toen vaker ging, bewerkingen van opera-aria’s: een aria uit Una cosa rara van Vicente Martín y Soler, een uit Fra due litigante il terzo gode van Giuseppe Sarti, en de aria “Non più andrai” uit Mozarts eigen Figaro! Dan komt de stenen gast ten tonele, en doet de goddelijke trombone haar intrede. De muziek spreekt dan voor zichzelf. Een rustig slotnummer, waarin de achterblijvers op de moraal van het verhaal wijzen, sluit de opera af.
Uitvoerenden
Rodney Gilfry (Don Giovanni), Andrea Silvestrelli (Il Commendatore), Luba Orgonasova (Donna Anna), Christoph Prégardien (Don Ottavio), Charlotte Margiono (Donna Elvira), Ildebrando D’Arcangelo (Leporello), Julian Clarkson (Masetto), Eirian James (Zerlina). The English Baroque Soloist en The Montiverdi Choir o.l.v. John Eliot Gardiner.
